-
Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten, / Gij, kindren van de rustige gedachte! …
-
„Het is des dichters roeping te vermaken, / Te spreken tot verstand, herinnering, …
-
Toen nog niet was, dat waar ge thans op tuurt, / Dacht ik: wat zult ge een ander ’t hart ontblooten, …
-
Wanneer de moeder van het licht weêr licht, / En voor heur goud den zwarten mist doet wijken, …
-
Wat werd ik zonderling opeens te moede, / Toen gij mij, lieve, vleiend hadt gevraagd: …
-
Vaarwel, vaarwel, gij, zon, die ondergaat / In purpren vlammen-zee en gouden verven! …
-
Het zuidewindje suist door zwarte twijgen, / En kust het slapend dons der zangers teeder,-- …
-
De bron van warmte en licht was zacht gezonken; / Op ’t ver gebergte en tintte d’avondstond, …
-
--„Gelooft ge aan God?”--„Mathilde!”--„Bidt gij aan?” / --„’k Gevoel mij klein bij àl wat is verheven, …
-
En honderdmaal verklaarde ik mij, doch, neen, / Zij hoorde ’t honderd malen niet, want oogen …
-
Men droeg den grijze plechtig naar het graf, / En toen hij langzaam nederzonk in de aarde, …
-
En over ’t wak van pek, dat schijnt te schragen / Het hol gewelf, waarlangs een doodendans …
-
En ’t schaarsch struweel, dat gretig naar mij hield / Zijn duizend groene vingren uitgestoken, …
-
Hoe kan de zon het droeve vroolijk maken! / De hoogte, ruig van rotsen, glanst en lacht,-- …
-
In ’t korenveld, dat reeds begint te gelen, / Prijkt, vol en rijp, één enk’le korenair. …
-
Met blauwe, droomende oogen staart op ’t woud / De hemel, en, waar speelsche zonnestralen …
-
--„De bergstroom doet de grauwe golfjes deinen, / En schuimt er mede heen, zie .. eer zij komen,-- …
-
’t Is alles nu met duisternis omtogen, / En ’t starren-dak zendt stilte op ’t glanzend puin, …
-
De purpren scheemring houdt den burcht omvangen, / --De glimvlieg glanst in ’t mos der muur en blauwt,-- …
-
Om ’t kleine gods-huis rijst een krans van kruisen, / Van eeuwge bloemen, wort’lende in de groeven; …
-
Gelijk een schaduw grauw, schiet de forel, / En schielijk, uit den zwarten nacht der steenen, …
-
Nog had de nacht haar wieken niet ontvouwd, / Toen duister boven stroom en delling zweefde,-- …
-
Het breed gewelf, door rossen gloed beschenen, / Is ruig van stugge pegels, grauw en goor, …
-
„O, zonlicht!”--Op een dennenwoud van rotsen, / Wier top mijn langste schaduw niet genaakt, …
-
Hoog, op den bergtop, rijst de kleine kluis, / Uit groenend hout en mossig riet geboren; …
-
Het duister doet de tinten samenvlieten, / En dekt met fulpen nacht het schel azuur,-- …
-
Het klokje beiert in den morgenstond, / En heel ’t gehucht treedt in het Huis des Heeren, …
-
Een zaadje--een loovertwijg--gij zijt verrezen, / O, volle, reine roze, op slanken stengel,-- …
-
Een zee van golvend purper, in verbazen / En ademloos, verstijfd--als waar’ zij dood-- …
-
In ’t breede lommer van de lage boomen / Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden; …
-
Aan Dr. W. Doorenbos / Ik heb de schim des drossaarts aangeschouwd. …
-
De beek glijdt effen hemelsblauw door ’t veld, / Waar warme zonneschijn een zee van airen …
-
Gelijk wanneer men de armen strekt, en schrijdt, / En ziet, maar zonder zien, en denkt aan spoken, …
-
Toen bracht mijn geest mij naar het ver Verleden, / Waarvan de tijd steeds verder, verder schrijdt... …
-
Uit stronk en struik en warrelklomp van steenen / Stort de kristallen vliet zich bruisend neer, …
-
Zooals wanneer opeens de zonneschijn / Door ’t zwart der breede wolken heen komt breken, …
-
„Al vlecht ik rozen saâm en lelies, wit en rood, / En strooi ze op dien bemosten steen, …
-
De vedel zingt, waar roos en wingerd-ranken / Verliefd omhelzen ’t huis des akkermans, …
-
Heen is de dag--de nacht nog niet geboren, / En langs de bergen wademt avond-dauw-- …
-
Daar walmen warme geuren om mij rond.... / Hoe kleurig al die duizend bloemen pronken! …
-
Bij ’t rossig, zwaaiend schijnsel der flambouw, / Welks walmen tranen teelt bij ’t krinklend stijgen, …
-
„Mijn God”--zoo sprak de duif--„is innig-zacht, / Heeft donzen wieken, en bemint ons allen; …
-
Hoe gloeit de bezie langs het holle pad, / En schudt het bolle hoofdje heen en weder! …
-
Oogen, in wier diepte helle nacht / Droomt en lokt, als er de rust uit lacht-- …
-
Des denkers kluis baadt in de bleeke stralen / Der maan, die door ’t gewelfde venster tijgen, …
-
Een droom--als maneschijn--in zilvren wade / En breedgewiekt, heeft mij, toen ik verwezen, …
-
Ik mag die slanke handen zoetjes streelen, / Als zwoele wind de blanke duiveveeren. …
-
Nu voelt men warme geuren om zich walmen, / En warmte door de koele boomen wuiven,-- …
-
Hij is: zijn armen zeegnen stilte en duister, / Die eeuwig woonden rond den reuzestam; …
-
En, peinzend, zie ’k uw zee-blauwe oogen pralen, / Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt,-- …
-
De purpren avond was in ’t west verdwenen / En glanzend zilver droomde op donkere aarde,-- …
-
Hier is het lachend morgenrood een logen / En ’t leven en ’t genot!--Langs steenen bochten …
-
O, lieflijkste van alle lieve vrouwen! / Gij, hoogbegaafd met schoon en kunstvermogen! …
-
De kluis, getuige van ons noode scheiden, / Leeft in mijn peinzende herinnering.... …
-
Toen sprongen ze los door het stoeien, / die dartlende haren, …
-
De maan blinkt door den zwarten bouwval henen / En laat haar zilver glijden langs de duin, …
-
De rondende afgrond blauwt in zonnegloed, / En wijkt ver in de verte en hoog naar boven,-- …
-
„Indien ge een ander waart,” heeft zij beleden, / „Voorwaar! ik had mij anders dan gedragen.... …
-
Daar treurde een vinkje bij haar gaaike dood, / En sprak: „Kunt gij uw wieken niet bewegen, …
-
Haar viel de rots op ’t hart, toen in zijn woede / De geest des afgronds haar tot offer koos, …
-
Een zwerver zet zich op de zachte zoden / Van geurig groen, die ’t woud des bergs bezoomen, …
-
Door ’t woud der pijnen kreunt en zucht de wind, / En machtig wuiven de gepluimde toppen, …
-
Nu zwijgt het zwerk, maar dreigt zoo zwart als nacht; / En ’t woud, van vreeze stom, smeekt manestralen, …
-
Een waterval, gestremd in ’t vallen, boomen, / Verstijfd bij ’t wortlen in de holle schacht, …
-
„Mijn ideaal van zaligheid en deugd, / ’t Volmaakte, waar ik immer naar zal streven,” …
-
Dat ik mijn hoofd mocht aan uw boezem vlijen, / En zalig zijn als een onschuldig kind, …
-
Steil rijst de rots, en braam en stekelwisch, / Die hatende aan heur breede flank zich kleefden, …
-
En driewerf kruiste ik de armen, driewerf drukte / Ik niets, en niet de blonde Muze er in, …
-
„De dieren, onze vreugde- en leed-genooten, / Zijn onze broeders, maar niet, zooals wij, …
-
De grootste liefde, die den mensch kan nopen, / Noopt ook der waerelden talloos getal …
-
Het woud, geworteld in de dorre blâren, / Spreidt lommer met zijn loovers over ’t mos, …
-
Nu voort! Ik zag haar weêr, maar om te ontdekken, / Dat weêrzien zien is, wat ik altijd zie. …
-
Leg u beide blanke handjes / In mijn breede handen nu, …
-
Gelukkig zijn en toornig tevens gaat niet: / Wenscht gij geluk, dan moet gij dus niet toornen …
-
Het vurig hart des jongelings, haast nog kind, / Gevoelt een rijke en ongekende weelde, …
-
Neen, groenend woud en duizend zangerkelen! / Neen, lachend meir, waaruit de lisschen doemen; …
-
Hoe minzaam heeft uw koozend woord geklonken, / Uw zilvren woord, maar ál te goed verstaan! …
-
De zon der nacht kwam uit de bergen klimmen, / En zoomt met zilver de afgedoolde wolken: …
-
boek i. sonnet i-xxviii 5 / " ii. " xxix-lv 35 …
-
Vóór ik haar had gezien, was dof en koud / De zomersche natuur, zoo warm en licht,-- …
-
En met gespannen wieken hangt hij zwevend, / De Sfynx, op geuren, boven de’ open mond …
-
De blik boort moeilijk door de ruimte henen, / En ziet niet, wat zich hier of daar bevindt: …
-
Hoe schudt uw blanke tel den hoogen kop, / En briescht, en doet het spichtig oor bewegen, …
-
Gelijk wen sluiers zweven voor de maan, / En ’t zwerk de duizend oogen houdt gesloten, …
-
Wie naar ons staren, staren naar ons beiden, / Als waren wij gelukkig en verloofd; …
-
O, zomer, met uw lokken, glanzend gouden, / En met uwe oogen, blauw gelijk de wanden …
-
De Nacht week in het woud, en, bij haar vluchten, / Heeft ze op struweel en bloem een dauwkristal …
-
Door ál wat leeft, gevoelde ik mij verlaten, / En nergens was ik, en met niets, tevreden; …
-
Zie naar de loovers, melieve! die luchtig / Glinstren in den zonneschijn-- …
-
Eens zag ik om mijn liefde sluiers glijden, / En toen ze omhuld bleef, is mijn vreugd gevlucht... …
-
Lig daar, mijn wandelstaf! Hier is de top, / En met de blauwe wolkjes, die er krullen, …
-
Nog gaapt de mulle muil van de spelonk, / Waar delvers knook en kei naar ’t zonlicht wendden, …
-
onder ’t loover 131 / drie liedjes 132 …
-
De steile rots tart met haar kruin de zon, / En, met haar voet, peilt zij het grondelooze, …
-
’t Was bladstil, en een lauwe loomheid lag / En woog op beemd en dorre wei, die dorstten; …
-
De voerman zwaait de zweep, ik hoor ze knallen; / De wagen ratelt langs de helling heen; …
-
Stil!--Duizend-oogig spiegelt zich in ’t meir / De nacht, en laat haar bleeken luchter beven, …
-
Zooals de zon den dauwdrup, als de roze / De bij, en ’t wijde wak der zee de beken …
-
De storm loeit door den hollen bouwval--gierend / Beukt hij en brokt, met vuisten reuzensterk, …
-
Een rozelaar staat aan den groenen zoom / Des meirs, en spiegelt zich; de rozen hangen …
-
Zie, hoe de beek langs enge boorden schiet, / En ’t rozeblaadje met zich mede-draagt, …
-
De hemel vlamt; de blonde dageraad / Rijst uit die rotsen, en vervult met geuren …
-
Vaarwel! geliefkoosd land vol liefdeleven, / Waarin ik leefde voor de liefde, en zij, …
-
Mijn lievlings-plekje in ’t woud, waar ’t groene dak / Een blauwer schoort, en schemer-schijn doet dalen …
-
De dag verdween in tranen: regen gudst / Langs rots en ruigte, en klettert op de paden-- …
-
Verheven Wezen! Zonne, op wie ik stare, / Met oogen, onverzaad’lijk door uw schijnen...! …
-
De lauwe wind zweeft aan op loome zwingen / En spartelt door de loovers der abeelen, …
-
Zij is verdwenen in het lichtend duister, / Ver in de verre verte, en nimmer keert, …
-
Wie zou dat loover-hutje samenvoegen / In rozen-armen, waarin geuren wonen....? …
-
Meen niet, dat éene deugd voor allen past!-- / De popel streeft omhoog met trotsch verachten …
-
Gij, zachtheid, waar de vrouw op oogen moet! / Uw beeld zal nimmer uit mijn boezem wijken, …
-
Gij, berken, buigt uw ranke loovertrossen! / Strooit, rozen, op het zand èn sneeuw èn blad! …
-
Zij rust in ’t malsche mos, en houdt gebogen / Dien arm, dien mos en lokken beide streelen,-- …
-
In ’t meir, omkranst met wilgen en platanen, / Wier top den bodem peilt, staart avond-gloed …
-
Δεινη Θεος / Met weekblauwe oogen zag de oneindigheid …
-
’k Wil u eens wat zeggen, blondje, / Dat gij niet begrijpen zult.... …