De Bouwval
’t Is alles nu met duisternis omtogen,
En ’t starren-dak zendt stilte op ’t glanzend puin,
De verre trots weleer van rots en kruin,--
Het maanlicht glipt door holle venster-bogen;
Geen sprankje mos wordt door een zucht bewogen,
Geen leven slaakt geluid in ’t kil arduin,--
Slechts in den onkruid-ruigen bouwval-tuin
Schiet, klaterend, een springbron naar den hoogen:
En ’t lage dal blikt op, met vreeze en beven,
Naar ’t slot, waar zang en zwaardgekletter klonk,
Toen willekeur bevel vermocht te geven,--
En ’t ziet, in schemer-schijn der nachtzon, zweven
Het schimmen heir, dat in den dood verzonk,
Doch in den doodschen burg der nacht bleef leven.