De Akker
In ’t korenveld, dat reeds begint te gelen,
Prijkt, vol en rijp, één enk’le korenair.
De gouden kuif rijst boven heel de schaar’,
Die golft op lage en even-groene stelen.
En ’t windje is bode van hun luid misbaar:
„Ziet ginds dien trotsche, die ons wil bevelen!
Met opzet wil hij niet in ’t onze deelen:
Alsof die dwaas meer dan wij allen waar’!
Hoort, goede broeders, die elkaar beminnen,
Wat onzer één zegt, is voor allen waar:
Slecht is hij, onbehouwen en van zinnen!”
Door de’ akker ging een mensch en lachte, daar
Hij weder hoorde èn spot èn smaad beginnen,
En sprak: „Als deze wordt gij al te gaêr.”