De Adelaar
En ’t schaarsch struweel, dat gretig naar mij hield
Zijn duizend groene vingren uitgestoken,
Heeft mij verslonden, waar ’t van loovers krielt
En bijtende elzen, die het aanschijn strooken
Met rasp en tand, door martelzucht bezield;
Toen, uit de ruwe omarming losgebroken,
Viel ’k aan den hoogen bergzoom neêrgeknield,
En zag in diepte en damp het dal gedoken.
Maar ver omhoog, aan ’t eindloos-effen zwerk,
--Een zwarte ster in blauwe lucht--hangt zwevend
Een adelaar op breeden dubbelvlerk....
En plots de wieken in de breedte revend,
Stort hij, gelijk de dood op menschenwerk,
Op wat niet is te zien, in de’ afgrond levend.