Hemelvaart
De rondende afgrond blauwt in zonnegloed,
En wijkt ver in de verte en hoog naar boven,--
Mijn ziel wiekt als een leeuwriks-lied naar boven,
Tot, boven ’t licht, haar lichter licht gemoet:
Zij baadt zich in den lauwen aether-vloed,
En hoort met hosianna’s ’t leven loven,--
Het floers is weg van de eeuwigheid geschoven,
De Godheid troont.... diep in mijn trotsch gemoed;
De hemel is mijn hart, en met den voet
Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard’,
En, nederblikkend, is mijn glimlach zoet:
Ik zie daar onverstand en ziele-voosheid....
Genoegen lacht... ik lach.... en, met een vaart,
Stoot ik de waereld weg in de eindeloosheid.