De Schim Van P. C. Hooft

by Jacques Perk Dutch

Aan Dr. W. Doorenbos

Ik heb de schim des drossaarts aangeschouwd.

Groot schreed hij voort, het lokkig hoofd omblonken
Van ronden gloed en geluw-glanzend goud,
Gelijk een god, in mijmerij verzonken.

Hoog, van de schoudren opwaarts, rees zijn leest
De schaar te boven, die, van vreugde dronken,
Bijeengevloeid was tot zijn heugnisfeest.

En waar zij hem bewondering betaalde,
Loech hij den hemel aan, der zonne ’t meest,
Die weder-lachte en alles over-straalde.

Een minnedicht speelde om den fijnen mond,
Doorhonigd van gezang; uit de oogen daalde
Zijn schalkheid, die geen droefenis verstond.

En, over ’t welvend voorhoofd der gedachten,
Waarde eene waarheid, zwevend nog en bont,
Waar ’t klare woord en de effen verf op wachtten.
Dus trad hij aan, in onrust-zwangre rust,
Daar langs zijn fulpen dos de blikken lachten
Der zon, die hem tot dichter heeft gekust.

En zóo ontving, wiens roem deez’ dag vervulde,
Op ’t grauwe slot--zijn woon-stede--onbewust,
Den dank zijns lands, der eeuwen eeuwge hulde.

More poems by Jacques Perk

All poems by Jacques Perk →