Tevredenheid
Een rozelaar staat aan den groenen zoom
Des meirs, en spiegelt zich; de rozen hangen
Voorover, turend naar heur frissche wangen....
Daar valt er éene, en dobbert op den stroom:
Zij drijft, en komt, waar, weelderig en loom,
Een water-roos haar houdt in ’t blad gevangen.
„Wees welkom!” (zegt die) „kunt gij meer verlangen?
Hier is ’t een leven uit een toover-droom.”
Maar de andre roos krijgt krinkels, scheuren, naden,
Verschrompelt, en wordt groen en bruin en zwart,
En zinkt, door haar met dezen smaad beladen:
„Zoo’n ontevreden en verdorven hart,
Dat water, lommer, kroos en slib durft smaden,
En doet of ’t beste en edelste haar smart!”