Leg u beide blanke handjes
In mijn breede handen nu,
En laat mij uw voorhoofd kussen,
Want iets teeders zeg ik u.
En laat mij uw voorhoofd kussen,
Want iets teeders zeg ik u.
Luister! ’k wil u zeggen zachtjes,
Dat het niemand kan verstaan,
Hoe ik somtijds kan verlangen,
Met u ’t leven in te gaan.
Hoe ik somtijds kan verlangen
Naar de stille huislijkheid,
Die gij, in ons zonnig huisje,
Eenmaal zeker mij bereidt.
Hoe ik somtijds kan verlangen....
Naar wat mag en moet geschiên,
Om--laat mij u nógmaals kussen--
In mijn kindren ú te zien!--