O, Noodlot!
Wie naar ons staren, staren naar ons beiden,
Als waren wij gelukkig en verloofd;
Men ziet ons aan, en wenkt met oog en hoofd,
En wil ons vreugd door wedervreugd bereiden.--
Mathilde! ik zou u nimmer kunnen leiden
Door ’t leven! ’t Noodlot, dat gij wijs gelooft,
Scheidt mij van u, die mijn verdriet me ontrooft
En vroolijk hart.... Ik kán niet van u scheiden....
En tóch, die Macht, die over ’t menschdom waakt,
Is wijs, en doet mij wijslijk u verlaten,
Omdat, hoog wezen! gij me een onding maakt!
Ik leef in ú, en denk en doe als gij,
Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten--
Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij...!