Bekentenis
De bron van warmte en licht was zacht gezonken;
Op ’t ver gebergte en tintte d’avondstond,
In iedre vezel waarde weelde rond,
Die met den koelen dauw werd ingedronken;
Wij doolden om: haar starende oogen blonken,
Een blijde glimlach glinsterde om haar mond,
’t Was, of me aan haar geheel een leven bond...
Zij oogde naar de kim van purpervonken:
Mathilde! ik heb u lief... Zoo waar die kammen
Te morgen weêr in purper zullen vlammen,
Wordt gij bemind... Gij zijt zoo godlijk-schoon!...
Zij deed als een, die iets op ’t hart voelt branden--
Toen sloot zij mij de lippen met de handen,
En ... bloosde de avondzon heur bleeke koon?