Het Doode Gaaike
Daar treurde een vinkje bij haar gaaike dood,
En sprak: „Kunt gij uw wieken niet bewegen,
Kunt gij niet staan? Nooit heb ge zóo gezwegen
Gij zijt mijn gaaike niet, dat vroolijk floot!
Dit is geen vogel meer: hij schijnt ontbloot
Van wenschen, en zoo rustig neêrgezegen,
Alsof hij, wat hij wenschte, had verkregen,
En of hij lang-gehoopt geluk genoot.”
--„Dood” (sprak een oude raaf) „is uw genoot:
Nooit kust hij meer, nooit hoort ge meer zijn zangen.”--
Toen schreide ’t vinkje: haar gemis was groot...
„Dank, hadt gij lief! ’t geluk heeft hij ontvangen,”
(Zei de ander) „leven en verlangen vlood:
Gelukkig is, wie niets heeft te verlangen.”