Kupris In ’T Woud
Het woud, geworteld in de dorre blâren,
Spreidt lommer met zijn loovers over ’t mos,
En zijner bronzen armen tempeltrots
Wijdt honderd esmeralden zode-altaren:
Om steen en stronken waaiert zich de varen,
Zefier kust geuren uit de rozen los,
En door het heilig, hemel-schragend bosch
Schijnt wellust-ademend een god te waren:
’t Is Kupris, wie de mirt en roze kransen,
Wie maneschijn van leest en boezem licht,
Wier lokkend oog in ’t hart verlangen lacht,--
En zeven duiven zwermen in heur glanzen,--
De zode zwelt, waar zij heur schrede richt....
Wee mij! ik zie Mathilde in Kupris’ pracht!