Wederzien
Wie zou dat loover-hutje samenvoegen
In rozen-armen, waarin geuren wonen....?
De jonkman fluistert, purper op de koonen,
En zij tuurt, zonder zien, naar ’t boezem-zwoegen;
Hij kust de handen, die om kussen vroegen,
Al warrend door de lokken, die hem kronen;
Ik zie zijn lippen door haar lippen loonen,
En in het scheemrig hutje lacht genoegen.
Mathilde! ik zie u weder, vreugde-dronken:
Gevoelend, dat geen scheiding ons kan scheiden,
Groei ik in uw geluk, meer dan gij beiden.
Gij zijt de mijne: uw lach, uw liefde, uw lonken,
Uw schoonheid blijft hierbinnen glanzen spreiden,
Waar ge, als de zon in zee, in zijt verzonken!