Nedervaart
Gelijk wen sluiers zweven voor de maan,
En ’t zwerk de duizend oogen houdt gesloten,
En al wat kleur had, die is kwijtgegaan,--
Een spooknacht uit den hemel is gevloten....
Zoo is het hier, waar men geen blik kan slaan
Op iets, dat is, en blindheid is gesproten
Uit zwarten nacht; waar men zich voelt bestaan,
En niet, en vingers tegen steen laat stooten:
De voet, die volgt, staat hooger dan die treedt,
En de onbezielde stilte wijkt ter zijde,
Terwijl ik, of hier wanden zijn, niet weet;
De zool, die zinkt en zuigt, baart, waar ik glijde,
Een doffen smak, en .... angstig, klam van zweet,
Is daar een koude wand, dien ’k tastend mijde.