Wilg En Popel
Meen niet, dat éene deugd voor allen past!--
De popel streeft omhoog met trotsch verachten
Der aarde, en ’t harte popelt haar van smachten
Naar ’t blauw des hemels, waar de vrede wast;
De treurwilg nijgt èn loot èn loover-last,
Die ’t water zoeken met een hoopvol trachten:
En lijdzaam op de blijde stonde wachten,
Dat zij door golfjes worden overplast:
Men moet den popel, die zich buigt, verachten,
De treurwilg, die de wolken zoekt, misdoet,--
Want elk moet, wat hem past te doen, betrachten:
Wie, wat zijn aard beveelt, verricht, is goed:
De duif zij zacht, maar de arend toon’ zijn krachten,
En gal zij bitter, maar de honig zoet.