Maneschijn

by Jacques Perk Dutch

De zon der nacht kwam uit de bergen klimmen,
En zoomt met zilver de afgedoolde wolken:
Het water wentelt ze in zijn blanke kolken,
En doet ze in kabbelende rimpels glimmen;

Door ’t glanzend bergwoud dolen doffe schimmen,
Die, slank en trillend, bosch en berg bevolken...
De stilte alleen kan al die rust vertolken:
De nacht houdt de’ adem in; de rotsen grimmen:

Aan ieder sprietje bleef een dauwdrup hangen,--
De hitte werd door de’ avonddauw gevangen,
En geurt er mede uit de aard, die liefde wademt;

De mensch luikt vol genot de droomende oogen,
En ’t luwtje, als liefde, al zoetjes aangevlogen,
Heeft kussend hem den sluimer ingeädemd...

More poems by Jacques Perk

All poems by Jacques Perk →