Dorpsdans
De vedel zingt, waar roos en wingerd-ranken
Verliefd omhelzen ’t huis des akkermans,
En gloeien in den avond-purper-glans,--
En twintig menschen rijzen bij die klanken;
Het avond-maal heeft uit: van disch en banken
Verdween der jonkheid blij geschaarde krans,--
De vlugge voeten reien zich ten dans,
En de arm buigt om de leesten heen, de slanken:
Daar tripplen zij en stampen naar de maat,
Terwijl de kroezen op den disch rinkinken,--
En naar de wangen stijgt het vroolijk bloed:
Den oude, die daar op den dorpel staat,
Ziet men de vreugd uit lachende oogen blinken,
Tevreden, dat hij leeft, en leven doet.