Iii

by Guido Gezelle Dutch

Het Vlaamsche heer staat immer pal,
daar 't winnen of daar 't sterven zal:
alhier, aldaar, aan lange lansen,
de leeuwen dansen.

De winden schudden, met geweld,
de zwarte blomme in 't geluw veld:
de kwaden zien, beneên de transen,
de leeuwen dansen.

Met bezemen, zoo komen ze af,
om 't Vlaamsche Volk, als ijdel kaf,
dat 't zweerd onweerd is, af te ransen.
De leeuwen dansen!

Hardop! Hardop! De trompe steekt:
de boeien los, de banden breekt!
Ten vijande in! Dat op z'n schansen,
de leeuwen dansen!

Sta vuist en voet de vane omtrent!
En, gij, die God noch eere en kent,
ruimt bane, eer, op uw veege bansen,
de leeuwen dansen!

IV

De peerdehoeven staan in 't zand,
bij duizenden, gedreven;
geen hooi en is er meer in 't land,
geen haver schier gebleven:
't is al gestolen, al geweerd,
voor vee en volk, voor man en peerd!

Waar gaat gij, edel died, naartoe:
gaan strijden op de heiden?
gaan straffen, met de geeselroe,
die u den vrede ontzeiden?
"Geen heidenen," zoo roepen ze al:
"de Vlaming is 't, die 't boeten zal!"

"Daar groeit en bloeit, te landewaard
der Vlamingen, een blomme,
die honing druipt, die boter baart
en goud: daar gaan wij omme!
't Is munte slaan, dat wij gaan doen,
terwijl de Vlaamsche bargen bloên!"

o Sigis, van Majorken, gij,
die koning zijt geboren,
wat hebt gij, man van 't zuiden, bij
den noordeling verloren?
Verliezen zult ge er... Winnen, neen,
't en zij, voor graf, nen tichelsteen!

En Robbert, op uw ros, Morel,
--pekzwart is het--gezeten,
gij zult uw' hoogen hals, in 't spel,
uw ros Morel vergeten:
Jan Breydel zal, in 't riet gevaân,
ten tweeden male, u ridder slaan!

Die heeren hunne rossen 't staal
nu stooten in de lenden:
verjagen zullen ze, altemaal,
en slaan die boersche benden!
Harop! De storme is los, en 't gaat
om dood!--De goedendag slaat! slaat!

V

Harop! De goedendag
slaat! slaat!
Harop! Den goeden slag
slaat! slaat!

Ruimt bane, eer, op
uw' vuile schansen,
den doodendans
de leeuwen dansen!

Harop! Den goeden slag
slaat! slaat!
Harop! De goedendag
slaat! slaat!

Door hooge en leege
en liên en lansen,
den zegedans, den zegedans
de leeuwen dansen!

Harop!
Den--goeden--dag!

De peerdehoeven staan in 't zand,
te Leyewaard gedreven;
maar keerwijs om, naar 't zuiderland,
geen twee, geen een op zeven;
ter Vlamingvaart zoo wilde elkeen:
ze gingen al, 't en keerde geen!

VI

Onze Vrouwe, onze Vrouwe,
wij dragen ze u op,
de spooren der schoone gevelden:
de blinkende spooren,
gevonden--harop!--
op Groeninge'ns guldene velden.

't Zijn de guldene spooren
van menigen man,
die, gister nog, gekte, in zijn tale:
"Wie is er zoo dapper
van u, die mij kan
doen ruimen de rompvaste zâle?"

Hij verzuimde te keeren
terug: in den meersch
daar blonken zijn' dappere hielen;
gebluscht was de woede, en
daar lag, overdweers,
het ros, op den ridder, te ontzielen.

Onze Vrouwe, onze Vrouwe,
de zege is aan ons:
een riet heeft den reuze gedwongen:
tot 't einde der eeuwen
vertelle nu 't brons
van "'t Vlaamsche gespuis, en hun jongen!

Keizer Boudewijn's kerke is,
van beuken, te nauw,
om Groeninge'ns grootheid te hooren:
te Kortrijk vereeuwige
een beeldengebouw
den slag van de Guldene spooren!"

More poems by Guido Gezelle

All poems by Guido Gezelle →