Zonnewende
Een blomken heb ik staan, nabij
me, in de oude boekenzale,
dat altijd, naar den dag toe, keert
zijn' blaârkes, altemale;
het wenden mag ik zus of zoo,
dat ik begere volgt het noo,
en 't zoekt, weerom naar mij gericht,
nog altijd liever 't zonnelicht!
Och, ware ik als dat blomken is,
in al mijn doen en laten,
mijn zorgen, mijn bekommernis,
in huis en achter straten:
't zij wat men doet of niet en doet,
't zij wat ik immer lijden moet,
naar u, met herte en ziel, gericht,
o alverzettend zonnelicht!
't Is duister nu en zwaar, te mets,
omtrent mij: oude kwalen
en nieuwe, doen, van zielgekwets,
mij moe zijn, menigmalen,
tot dat, o God, naar U gewend,
mijn' duisterheid den dag erkent,
en ziende U, met mijne oogen dicht,
ik asem hale, in 't zonnelicht.
1 Somwijlen.
BONTE ABEELEN.
Wit als watte, en teenegader
groen, is 't bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,
wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is 't en, zonder
minke, wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,
't onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,
slaat het, als een' vogelveder:
Wit en grauw, zoo, dóór de lucht,
„bonte-abeelt” de duivenvlucht.
1 Iets dat ontbreekt, vlek.
DE BLEEKERSGAST.
't Ververscht mij, in 't geweld gestaan
der hooge zonnekrachten,
te zien van verre, aan 't water slaan,
vuls arems, uit de grachten,
den bleekersgast: de regenvloed
't geleschte lijnwaad ronken doet.
Den lepel zwaait hij, zwak van leên,
ter beken uit, omhooge;
en waken doet, hoe verre heen
hij werpen kan, zijne ooge:
de laatste lage en mist hij niet,
en al dat drooge is nat hij giet.
De groote zonne lacht daarop
heure alderliefste lonken;
die, vallende in den dreupeldrop,
den dreupeldrop ontvonken:
ik regenbogen, smal van bouw,
nu hier nu daar, in 't gers, aanschouw.
Het lijnwaad is, en 't gers, nu nat
genoeg; de lanen leken;
en wederom zijn spegelglad
van aanschijn al de beken;
de bleeker zit en droogt entwaar
de peerlen uit zijn kroezelhaar.
Verzachten doet dat regenbeeld
't geweld der heete stralen,
en lichter in de longer speelt
voortaan mij 't asemhalen:
zij vrede aan al die 't schoone van
Gods wonderheên beseffen kan!
VOETNOTEN:
1 Gras.
2 Ergens.
3 Long.