Windtocht

by Guido Gezelle Dutch

't Is helderblauw, vandage,
en warmer als twee dagen
of drie geleên, de locht
die 'k aseme is voortaan
zoo licht en onbelaân,
dat door mijn longen ik
hem lustig late jagen.

Hij loopt omtrent me heen,
hij speelt me vóór de voeten;
mijn haar omwentelt, en
mijn kaken kust hij koel;
in lijf en leên gevoel
ik weer den jongen dag
den ouden dag verzoeten.

Hoe raast die wilde wind
mijne ooren vol! Ze tuiten,
ze tieren allerhand
geruchten in mij, recht
een stamerend gevecht
van stemmen is't, die 'k slaan
en bermen hoore, buiten.

Dan buige ik mij vooruit
en wil de borst hem bieden;
'k ga stevig, stap voor stap,
en 'k leune, lijf sta bij;
wie zalder, ik of gij
nu zege halen, wind,
of 't zegeveld ontvlieden?

Zoo wierd er vroeger, 't is
mij eeuwen lang geleden,
door hem die „Israël”
nadien voor name droeg,
bij nachte en 's morgens vroeg,
op een die, na den strijd,
hem zegen gaf, gestreden.

Dan, laat mij zegen ook,
uit uwen mond, verwachten,
o sterke vechter, Wind,
die, loopende achter 't veld,
mij schier omverrevelt
en worstelt tegen mij,
en wijgt uit al uw krachten.

Ik bidde u, zegent mij:
niet eer en wille ik wapen
omleege leggen, u
ontwijkende, eer gij doet
ontwaken mij dat bloed,
dat al te langen tijd,
gerust heeft en geslapen.

VOETNOTEN:

1 Nu.

2 Golven.

3 Strijdt.

AKSTERNESTEN.

Nog ijdel staan de boomen, in
de blauwe lucht, en blaren
en zie 'k ze hebben, meer als of
ze dood en duister waren
voor goed nu. Lang is alles zwart
en zonder zap gebleven,
dat wijleneer zoo groene stond
in 't zoete zomerleven.
't Is zwart nu al, tot boven in
de hooge abeelensprangen,
daar zwarte en zware bonken in
van aksternesten hangen.
't Zijn teekens in de lucht, en wel
bekende hemelbaken,
dat wederom de zonne zit
aan 't lieve zomermaken.
Toch bladerloos is al 't geboomte
en, verre heen, in 't westen,
in 't noorden, 't zuiden, 't oosten zie 'k
alom vol aksternesten
de abeelen staan.–Verdappert uw
bezoek en wilt de bronne
des aksterslevens duiken al
in 't groen, o lieve zonne!

More poems by Guido Gezelle

All poems by Guido Gezelle →