Vader Overleden
o Al te kwade boodschapper,
die, bitsig als een horselbie;
die, stekende als een degenstoot;
die, snel gelijk den bliksemslag;
die, stom en doof, noodzakelijk,
te mijwaard op de snaren komt
gevlogen van den teekendraad!
Te gauwe, ach armen, vindt ge mij
en biedt gij, in uw bitsigheid,
de boodschap,--en geen troost daartoe!--
dat "vader overleden" is!
Ge'n zegt niet hoe hij, vroomgezind,
zijn kruise en zijne ellenden droeg;
g'en zegt niet, echt en recht, hoe hij
onwankelbaar geloovig en
betrouwende in Gods goedheid was;
g'en zegt niet hoe, beneên den bast
van buitenwaardsche onteederheid,
hij teêrheid in zijn herte borg;
g'en zegt niet hoe, van 's morgens vroeg
tot 's avonds, hij was werkzaam; hoe
't gevaar hij niet en minde, niet
en vreesde, daar 't de plicht beval:
g'en zegt niet hoe nauwkeuriglijk
hij omzag, daar te zorgen viel
voor kinderlijke onschuldigheid;
g'en zegt niet hoe noch wat hij was,
vóór God en vóór de menschen: gij
en steekt me.... en gij en stoot me maar
door 't herte, dat hij henen is,
mijn broeder! Van geen zielenruste
en rept gij!--Och, hoe herteloos
doorslaat mij nu die bliksemslag
en biedt hij mij, in zijn bitsigheid,
de boodschap,--en geen troost daartoe!--
dat "vader overleden" is!--
Zijn ziele God genadig zij!
o Al te kwade boodschapper!