Platanus Orientalis. L

by Guido Gezelle Dutch

Alhier, aldaar, wijd uit, wijd om,
wijd afgevallen blaren
bezabberen mij 't wandelpad,
alsof het vagen waren
van verwers handen, geelwe op groen,
die 't grauw der aarde blinken doen.

Een zure wind is opgestaan,
die 't schoone der platanen,
zijns ondanks, al te langen tijd
zag schaduwen de banen
van 't zomerhof. 't Is winter haast
en 't oud, afjunstig noorden blaast.

Die zatgezopen, zooveel tijd,
aan 't zalig zonneleven,
daar stonden, ei! zoo roekeloos
en 't hoofd omhooggeheven,
gevallen zie 'k nu los en loom,
beneden den plataneboom.

Zoo valt, die op de winden schreed,
ééns bliksemens, doorschoten,
de vogel, bei zijn slagers af,
en langzaam neêrgevloten,
in 't zand des wegs: met borst en klauw,
vergeefs gewend naar 't hemelsblauw.

Plataneboomen, 't deert mij, dat
ik, wandelende, 't zoete
geweefsel van uw schaduwkleed,
in 't stof betreden moete,
dat eens zijn bergzaam looverdak
mij bood, wanneer de zonne stak.

Dat eens mij zoete zangen zong
wanneer, te lossen toome,
de bolle wind zijn' sprongen sprong
en liep van boom tot boome;
al zuchtende.... o, zoo schoon en kweelt
geen vinder, die de harpe speelt.

Dat eens!.... Maar nu is 't veeg en 't valt
in 't graf: de winden loeien
zijn lijkgezang! Platanenloof,
te zomer zal 't hergroeien
en wederom den zonneschijn
mij zichtend voor de voeten zijn.

More poems by Guido Gezelle

All poems by Guido Gezelle →