Och Ware Ik

by Guido Gezelle Dutch

Och, ware ik ongevoelig en
mijn herte een steen bedegen,
wanneer de boosheid bijten komt
van die mij toegenegen
en dankbaar wezen moesten! ach!
't en is geen een verschenen,
of, was er een, hij verre weg
van hier is en verdwenen.

'n Ware ik maar gevoelig als
ik tranen zie en lijden,
bereid om al dat doenlijk is
te doen en hen te blijden
die troostloos zijnde, zeggen: „Helpt:
u wille ik al mijn leven,
bedanken!” Neen: beloven is
een ander ding als geven!

Ach, weze dan mijn herte zoo't
voor u, moet zijn, o Vader,
die meer mij als ik immer mocht
verdienen, altegader
ontvangen liet; die vroolijk zijn
mij doet, mijn herte pramend;
en al te menig keeren mijne
ondankbaarheid beschamend!

1 Geworden.

AAN DEN LINDEBOOM.

O! wat schoon, wat bolgekruinden
lindeboom,
van verre ik staan zie, blinkende in den
morgendoom!

Heel is hij gewelkerd al en
duizendvoud
van verwen, langzaam afgesleten
guldengoud.

Dag en schijnt erop noch noensche
zonneglans:
't is vochtig en de hemelkomme is
duister gansch.

Doch, ik zie mij, zonnewijs in
't nedergaan,
die najaarsche, ei, die bolgekruinde
linde staan.

Ringsom rijzen hooge en groote
zwart en zwaar
getakte boomen, naast die lieve
linde daar.

Diepe schaduw schieten ze en een
donker groen
gewelf zij om het wezen van die
linde doen.

Wees gegroet mij, nauwlijks uit den
morgendoom
erkenbaar Lieve-Vrouwken, aan den
lindeboom!

1 Doom = damp, nevel.

More poems by Guido Gezelle

All poems by Guido Gezelle →