De Winden
De zee, de zee, ze 'n zoeft bijkans
zoo zeer niet als de boomen,
daar, wild, de winden deure rijen,
te peerde, en zonder toomen.
Aan 't roepen gaan tienduizenden
tienduizenden van blâren,
alsof 't zooveel tienduizenden
van dolle menschen waren.
De regen ronkt, en geuten gaan,
gegeeseld, allenthenen,
de natte boomen buigen doen,
en bulderen en stenen.
Hoort! Nog nen keer, en nog nen keer,
hertuiten en hertieren
de wilde winden: wederom
is 't zeegeruchte aan 't gieren.
Geen einde ervan! De vogels zijn
gevlucht, de takken breken;
verloren is de stemme mij
gegaan!–De winden spreken.
DAT WILDE IK WETEN.
Wanneer ben ik U naast, o God,
of verst, dat wilde ik weten:
wanneer ik mij, in 't donker kot,
vernibbele, aan de keten;
of dan, wanneer ik henentie
en vliege, schier vermeten,
naar 't licht, dat ik zoo geren zie?
o God, dat wilde ik weten.
'k Heb overal mij zelven meê,
omhooge en aan de keten!
Die los mij van mij zelven deê,
diens woonsteê wilde ik weten;
diens hulpe hiete ik duizendvoud
mij wilkom, onvermeten!
Wat is 't nu, dat mij tegenhoudt?
o God, dat wilde ik weten!
Bedwingen zulk een vrage zal
uw menschelijk vermeten,
die levende, altijd, overal,
gevangen in de keten,
zult zoeken, om 't geheeme van
Gods wetenschap te weten...
Wie, buiten U, die 't wijzen kan?
o God, dat wilde ik weten.
VOETNOTEN:
1 Hevig verlangend begeer.
2 Tiën = tijgen.