De Tijd

by Guido Gezelle Dutch

Tempus non erit amplius. Apoc. X, 6.

Verloren is 't gepijnd om aan
den tijd, die immer voort moet gaan,
een paal te zetten;
ja, stelt u maar en schoort u stijf,
ge 'n zult, met al uw leên en lijf,
zijn' baan beletten.

Hij lacht met u, en, moegesold,
gij vechtend in de vore rolt,
daar 't eeuwig varen
zijns wilden strooms voorbij u voert,
en zegepralend henenroert,
zijn' ruwe baren.

Hij stampt de hooge boomen om,
hij buigt den berg zijn' lenden krom,
hij springt de banden
van staal intween, die vastgedaan,
bij stede en stad, hem wederstaan,
in alle landen.

Geen wet en weet hij, noch 't en zal
hem dwingen eenig ongeval:
geen' legerbenden,
geen' wapens, geen geweld van iet
dat donderbusse of boge schiet,
en kan hem schenden.

Onraakbaar is hij, vluchtende ooit
en vechtende; verderfnis strooit
hij op die wilden
weêrzetten hem 't zij burgten van
orduin gebouwd, 't zij duizend man,
't zij duizend schilden.

't En breekt den boozen beul, van al 't
geween dat hem te voeten valt,
geene enkele smerte,
geen Bethlehemsche kinderdood,
geen leêggeroofde moederschoot,
zijn steenen herte!

Zoo moet hij varend henengaan,
en al dat is aan stukken slaan,
tot ander stonden,
dat hij ook eens, het licht ontzeid,
voor eeuwig hebbe in de eeuwigheid
zijn' dood gevonden.

1 Arduin.

MIJN HERT IS ALS EEN BLOMGEWAS.

Mijn hert is als een blomgewas,
dat, opengaande of toegeloken,
de stralen van de zonne vangt,
of kwijnt en pijnt en hangt gebroken.

Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,
dat asemt in den dauw des morgens;
maar zwakt, des avonds, moe geleefd,
vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!

Mijn hert is als een vrucht, die wast
en rijp wordt, in de schauw verholen,
aleer de hand des najaars heeft,
te vroeg eilaas, den boom bestolen!

Mijn hert gelijkt de sterre, die
verschiet, en aan de hooge wanden
des hemels eene sparke strijkt,
die, eer 'k heraêm, houdt op van branden!

Mijn herte slacht den regenboog,
die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,
welhaast gedaan heeft rood en blauw
en groen en geluwe en peersch te schemelen!

Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,
en onstandvastig in 't verblijden;
maar, als 't hem wel gaat éénen stond,
't kan dagen lang weêr honger lijden!

't Eerste dat mij moeder vragen
leerde, in lang verleden dagen,
als ik hakkelde, ongeriefd
nog van woorden, 't was, te gader
bei mijn' handtjes doende: „Vader,
geeft me 'en kruisken, als 't u belieft!”

'k Heb een kruiske dan gekregen,
menig keer, en wierd geslegen
op mijn' kake, zacht en zoet...
Ach, ge zijt mij, bei te gader,
afgestorven, moeder, vader,
't geen mij nu nog leedschap doet!

Maar, dat kruiske, 't is geschreven
diep mij in den kop gebleven,
teeken van mijn erfgebied:
die den schedel mij aan scherven
sloege, en hiete 't kruisken derven,
nog en hadd' hij 't kruisken niet!

WINTERMUGGEN.

De wintermuggen zijn
aan 't dansen, ommentomme,
zoo wit als muldersmeel,
zoo wit als molkenblomme.

Ze varen hooge, in 't vloe;
ze dalen diepe, in de ebbe;
ze weven, heen en weêr,
hun' witte winterwebbe.

Hun' winterwebbe zal,
dat lijnwaad zonder vlekken,
den zuiverlijken schoot
van moeder Aarde dekken.

Ze ligt in heuren slaap,
ze droomt den schuldeloozen,
den maagdelijken droom
van nieuwe lenteroozen.

Ze ligt in heuren slaap,
ze droomt den wonderbaren,
den liefelijken droom
van 's zomers harpenaren.

Ze ligt in heuren droom,
ze droomt van overvloed en
van voorspoed overal,
om vee en volk te voeden.

'n Wekt ze niet, 'n laat
heur geen geruchte dwingen,
om, al te schier ontwekt,
uit heuren slaap te springen!

Daar ligt ze nu en rust:
heur zwijgend beddelaken,
de wintermuggen spree'n 't,
die geen geruchte en maken.

Ze draaien op en af
en af en op en omme,
zoo wit als melk, als meel,
als molke en runselblomme.

VOETNOTEN:

1 Wrongel.

2 Wrongel.

More poems by Guido Gezelle

All poems by Guido Gezelle →