=De Leye=
De Leye ligt zoo stille, alsof
van staal ze zou bedegen,
van louter staal en stijfheid zijn;
zoo blauw en, allerwegen,
zoo glad is en zoo effen en
zoo bloot zij nu. De winden
en roeren niet of, roeren ze,
geen speur en is te vinden,
geen asemtje op de Leye ervan,
die staal is, onberoerd,
en alletwee mijn oogen tot
aan Harelbeke voert.
De Leye en kapt mij 't kezzelspeur
niet af nu, en heur plasschen
en komt tot vóór mijn voeten niet
den trakelwegel wasschen;
ze 'n slaat geen witte kladden op
en neere, alzoo de rossen
die, schuimende, in de stringen van
de wagens hossebossen:
maar stille ligt en lusteloos
ze omleege.... stille staat
er tusschen in, het maantje dat
zijn schapen gadeslaat.
Noch nacht en is noch dag geheel
en gansch het: tusschen beiden
kan hofgebouw en boomgewas
ik zien en onderscheiden,
die omgekeerd in 't water staan,
zoo schuren doen en schelven
en schepen uit de Zuiderzee
vol vlas--en 's luchts gewelven,
die zeggen: "Komt en kijkt, o mensch,
naar ons, met al uw macht,
ge'n kunt niet dat de Leye kan,
bij 't vallen van den nacht!"
7/11 '97.