Arm Huisgezin
Onder 't duister dak gedoken,
stroo en vodden altegaar,
heel onttodderd, half gebroken,
staat des werkmans woonsteê daar.
't Kaafgat, omme- en scheefgetrokken,
vallen gaat; en daar, deureen,
liggen afgerolde brokken
bruingebrand al, gruis en steen.
't Dak beneden, deur de wanden,
glazenloos, van latte en leem
zie 'k getelde turven branden,
doodsch, in 't deerlijk huisgeheem.
Open ligt het, aller oogen;
't waait erdeure en 't sneeuwt erin;
's zomers zal me' er hitte in doogen,
's winters koude.–Arm huisgezin!
VOETNOTEN:
1 Zoden.
2 Uit de voegen.
3 Kave = schouw.
4 Binnenhuis; heem, heim = huis.