Ad Rom. Viii:35

by Guido Gezelle Dutch

Bemint men iemand recht en wel,
zoo zal men hem voor metgezel
begeren en betrachten:
bemint gij God, waarom en gaat,
daar God zoo lange u wachtend staat,
gij God, o mensch, niet wachten?

Waar vinde ik hem? o, "vinde ik hem!"
zeg liever: waar ontvinde ik hem?
Hoe zal ik hem ontvaren?
Hij roert in mij, hij waagt in mij;
hij nacht in mij, hij daagt in mij:
wie zalder ons ontgâren?

o Wondernisse, o wonderheid,
o zonderbare zonderheid,
dat overal, gesmeten
bij 't karrevoer, getuigenis
van God en van zijn' goedheid is
en wij 't zoo weinig weten!

More poems by Guido Gezelle

All poems by Guido Gezelle →