Ad Rom. Viii:35
Bemint men iemand recht en wel,
zoo zal men hem voor metgezel
begeren en betrachten:
bemint gij God, waarom en gaat,
daar God zoo lange u wachtend staat,
gij God, o mensch, niet wachten?
Waar vinde ik hem? o, "vinde ik hem!"
zeg liever: waar ontvinde ik hem?
Hoe zal ik hem ontvaren?
Hij roert in mij, hij waagt in mij;
hij nacht in mij, hij daagt in mij:
wie zalder ons ontgâren?
o Wondernisse, o wonderheid,
o zonderbare zonderheid,
dat overal, gesmeten
bij 't karrevoer, getuigenis
van God en van zijn' goedheid is
en wij 't zoo weinig weten!