Wanneer de vorst des lichts

by P.C. Hooft Dutch

„Mijn lief, mijn lief, mijn lief.” Zoo sprak mijn lief mij toe,
Terwijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.
De woordjes alle zes, wel klaar en wel bescheiden,
Vloeiden mijn ooren in en roerden, 'k weet niet hoe.

Al mijn gedachten om; die, 't malen nimmer moê,
Het oor mistrouwden en de woordjes wederleiden.
Dies ik mijn Vrouwe bad mij klaarder te verbreiden
Haar onverwachte reên. En zij herhaalde 't doe.

O rijkdom van mijn hart, dat overliep van vreugden!
Bedoven viel mijn ziel in haar vol hart van deugden,
Maar — toen de morgenstar nam voor den dag haar wijk,

Is, met de klare zon, de waarheid droef verrezen.
Hemelsche goôn, hoe komt de schijn zoo na aan 't wezen?
Het leven droom, en droom het leven zoo gelijk?

More poems by P.C. Hooft

All poems by P.C. Hooft →